’k Heb lange gewandeld in droefheid en nacht,
1 ’k Heb lange gewandeld in droefheid en nacht,
En stil, tegen hoop zelfs, op hope gewacht;
Als anderen roemden in Christus hun Heer,
Met tranen verzuchtend: Mijn God, ach, wanneer!
refrein:
Mijn God, ach wanneer, was mijn bede in mijn smart,
Wanneer zal ik kennen Uw vrede in mijn hart.
2 Ik hoorde de blijmaar: God gaf ons Zijn Zoon,
Ik las Zijn „een ieglijk”, Zijn liefdebetoon,
En zei tot mijn ziele: Hij is ook uw Heer,
’k Geloofde, maar toch met den schroom: ach, wanneer?
refrein:
’k Geloofde, en het was mij een lichtstraal in smart,
O ’t zien reeds op Jezus werd troost voor mijn hart.
3 O wonder der liefde, gena mij geschied,
Ik ken mij Gods kind nu, gezaligd om niet;
Ik roem nu in Christus, en ziende op mijn Heer,
Vraagt zalig verlangen alleen nog: wanneer?
refrein:
Mijn strijd is doorstreden doorleefd mijne smart,
En Jezus, mijn Jezus, de troost van mijn hart.
Tekst:Philip Paul Bliss
Muziek: Ira D. Sankey
Vertaling: C.S. Adama van Scheltema
Oorspr. titel: A long time I wandered in darkness and sin
